Fijne verjaardag

wittewereld

Morgen is mijn liefste jarig. Ik loop nog even naar de winkel om wat lekkers te kopen voor het ontbijt. Een vriendin had me aangemoedigd: ‘ga toch even lekker de natuur in Ineke. Dat zal je goed doen’. Dus ik neem een omweg, via het park. Ik kies de weg die mijn kinderen zouden kiezen: over de stenen op het water naar de overkant. Verdriet overvalt me heel even, maar vlijmscherp: Ik hoef niet om te lopen, want ik heb geen buggy bij me. Ik ben maar alleen.

Ik kijk om me heen en zie de schoonheid van een witte wereld. Hier en daar voetstappen en viezigheid, maar verder nog puur. Het witte bedekt de lelijkheid maar eventjes, maar wat een verademing als het gebeurt. Ik herinner me wat ik ergens las. Als er sneeuw ligt wordt de aarde doordrenkt, diep gevoed. Zo is het ook in ons leven, soms zie je aan de buitenkant niks gebeuren, terwijl er van binnen van alles gebeurt. Ik schud die gedachte van me af en akker door de sneeuw naar het centrum van mijn wijk.

Ik loop door de supermarkt, bedenk wat hij lekker vindt en kies dingen die ik anders vrijwel nooit koop. Ik moet niet teveel meenemen als ik thuis wil komen met mijn tenniselleboog en mijn pijnlijke rug. Voorzichtig kies ik de kortste route naar huis. Dan loop ik langs bloemen en planten. ‘Lelies!’ Schiet het door me heen. Ik moet lelies hebben, want morgen is hij jarig en zij is er opnieuw niet bij. Als we lelies hebben is dat in elk geval een teken dat ze erbij had moeten zijn.

Ik loop naar binnen en hoor mezelf zeggen dat ik lelies wil, want dat is het symbool voor onze overleden dochter en we hebben een jarige. Dus. Ik snap zelf niet waarom ik het zeg en de man geeft geen woorden terug. Hij noemt een hoge prijs en ik geef hem het bedrag gepast. Ik trek mijn handschoenen aan voordat ik de kou weer inga. ‘Fijne verjaardag.’ Zegt hij bij wijze van gedag.

Ineens moet ik huilen. Ik ben boos op mezelf. In de veiligheid van mijn eigen huis huil ik niet, lukt het niet, vlucht ik in bezigheden en vermaak. Maar hier, in de kou met mijn tas op mijn rug, boodschappentas in mijn goeie en bos lelies in mijn tennisarm, kan ik het plotseling niet meer tegenhouden. Ik loop voorzichtig, mensen ontwijkend, op huis aan.

Ik bid in stilte. God, nu zou een mooi moment zijn om me te laten merken dat ik niet alleen ben. Tot mijn verbazing geeft mijn telefoon het bekende signaal. Opnieuw lopen de tranen over mijn wangen.

Ik begrijp niets van mezelf. Ik heb geen controle over rouwen. Het enige wat ik kan doen is de weg die voor me ligt lopen, letterlijk en figuurlijk. En proberen niet teveel tegen te houden, omdat ik dat al veel te veel doe. Ik zeg tegen mezelf: ‘thuis mag je huilen, loop nu maar zo hard je kunt’. Maar ik kom iemand tegen die geen voelsprieten heeft en zichzelf graag hoort praten. Ik moet bot zijn om hem van me af te schudden, maar bot op een moment van groot verdriet is bij mij vaak echt té bot, dus ik houd me in.

Eenmaal thuis smijt ik de lelies op tafel. Het helpt niet. Deze lelies zijn koud en stijf en al aan het doodgaan sinds ze geplukt zijn. Ik wil mijn dochter naast me hebben lopen, ratelend over wat we voor haar pappa hebben gekocht. Enthousiast vertellend aan haar broer en zus die zo komen lunchen. Maar dat gaat dus niet gebeuren. Ik kan er niets mee. Het is een feit en dat heb ik maar te accepteren. Maar hoe je dat doet, is me eigenlijk nog steeds een raadsel.

Rouw is liefde die je niet kwijt kunt. En zo is het. Ik ga zitten en schrijf mijn kaart vol met lieve woordjes. Fijne verjaardag mijn liefste. En in de rij met namen schrijf ik vol overtuiging ook de hare, al is ze fysiek slechts aanwezig bij wijze van lelie.

Advertenties

Alleen de kleur nog

Daar liepen we weer. Net als bijna een jaar geleden, toen we er voor het eerst en het laatst waren geweest. Keer op keer hadden we het uitgesteld al stond het maand in maand uit op ons bespreeklijstje. Er waren steeds dingen belangrijker, urgenter, maar vooral: gemakkelijker, dan: Grafsteen uitkiezen.

Maar nu waren we er dan toch. Bij de steenhouwer en in de showroom met verschillende natuurstenen graven. Ik voelde een constante misselijkheid. Een bizarre tweestrijd, weerstand, aversie. Daar zat ik dan met mijn liefste aan tafel bij iemand die we nauwelijks kennen, te bespreken hoe we willen dat het graf van onze dochter eruit moet komen te zien. Alsof het om een nieuwe keuken gaat, of een of andere verbouwing. Welke indeling, materiaalsoort, lettertype? En dat alles zat ik daar zakelijk te bespreken, met zoveel mogelijk gladgestreken gezicht. Nu even geen emoties alstublieft. Niet dat niet zou mogen, dat denk ik tenminste, maar ik wilde dat niet. Laten we rationeel, als wijze ouders, beslissen wat er nu gebeuren moet.

Als ik iets ontdek heb in deze weg van rouw, is het wel dat ik het erg goed kan: mijn gevoelens verdringen. Ik ben er niet trots op, want het is eigenlijk behoorlijk vervelend. Ik heb zelf niet eens door dat ik het doe namelijk. Ik kom er gewoon pas later op een vervelende manier achter dat iets mij eigenlijk toch wel heel veel doet. Te laat, want eerst ga ik domme dingen doen, word ik soms zelfs ziek, word ik steeds chagrijniger. ‘Hoe kan dat nou?’ Vraag ik me af en pas na een paar dagen, als ik eindelijk om het één of ander dan toch in tranen of woede uitbarst en me afvraag waar dat in vredesnaam vandaan komt, besef ik: ‘o joh. Ik heb gewoon verdriet!’ ‘Ik voelde me gewoon gekwetst!’ Of in dit geval: ‘Ik zag er eigenlijk gewoon heel erg tegen op!’ Ik denk zelfs dat ik mezelf deze griepweek zieker had gemaakt dan ik was door dit knagende gevoel niet te willen voelen. Dit knagende gevoel van weerzin om deze aankoop dan nu toch eindelijk te gaan doen.

Maar het moet gebeuren. Het plankje dat onze lieve oudste maakte, is bijna niet meer leesbaar. Bovendien willen we niet verplicht naar het grafje toe om het steeds netjes te maken, ook al komen we er nog steeds nu en dan. We willen het niet móeten doen. Ze is het zo waard, benadrukt mijn liefste steeds en zelf wil ik het kunnen zien als ik daar ben: Hier ligt ons dochtertje, rechtstreeks vanuit mama’s buik in de armen van haar Hemelse Vader. Susan Amanda Marsman. Misschien wel omdat ik het nog steeds haast niet kan geloven, laat staan bevatten.

Hoe vreemd het ook klinkt. Ik kan het soms nog steeds niet geloven dat ik werkelijk nog een vijfde kindje heb, maar er niet voor kan en mag zorgen. Ik vóel het soms, omdat ik nog steeds paniekgevoelens heb als we met z’n allen weggaan, omdat ik nog steeds in verwarring raak als iemand me vraagt hoeveel kinderen ik heb en omdat de pijn op onverwachte momenten opvlamt als ik op straat loop, als ik in huis zit, of als ik wakker word.

Dus ook dit hoort erbij. Rationeel een steen uitkiezen terwijl je hele ziel zich ertegen verzet. Omgaan met misselijke gevoelens terwijl je je zogenaamd ‘vermant’. Net als bevallen van een dode baby: je wilt het niet, maar je zult wel moeten. Net als het begraven van je eigen kind: je wilt het niet, maar je zult wel moeten. Zo ook nu, hoewel sommige mensen misschien vinden dat het niet hoeft, wij vinden dat we het zullen moeten doen: een waardige steen op haar grafje leggen. En dat moet dus nu nog steeds gebeuren, maar we zijn er uit wat de tekst wordt en de vorm. Alleen de kleur nog.

Terug bij af

We zijn weer terug bij af. Zo voelt het tenminste. Maar het is niet zo.
Maar toch voelt het zo.

We zijn weer terug bij af. Twee jaar geleden waren we vol blijde verwachting. En we vroegen ons af waar het kleintje moest slapen. Wat de andere kinderen nodig hadden. Kind voor kind bespraken we. En we kwamen op een plan dat waarschijnlijk voor alle vijf het beste was. Er kwam een aparte babykamer. Twee kinderen kwamen bij elkaar op de kamer. En de andere twee kregen elk een eigen kamer op zolder. We begonnen na de kerstdagen al met de verhuizing, zodat we in de meivakantie, mocht het zo niet blijken te werken, de boel nog konden veranderen.

Twee maanden later werd ze ineens al geboren. Veel te vroeg. In maart. Terwijl ze al in de volgende wereld was, kwam ze in deze wereld. Wat een geluk bij een ongeluk dat we er al zo vroeg bij waren geweest en de kamers al omgegooid waren. Dat er een babykamer was waar de wieg kon staan, waar we haar op konden baren, bekijken, vasthouden.

Na de begrafenis werd dit kamertje een plek om bij haar stil te staan. Om even te huilen. Even het gevoel te hebben dat we dicht bij haar konden zijn. Het was fijn om zo’n plek te hebben en ieder van ons ging er zo nu en dan even naartoe.

Maar als je vier levende kinderen hebt en vier slaapkamers te verdelen, is het op een gegeven moment tijd om elk kind weer een eigen kamer te geven, vonden wij. En dus ruimden we een jaar geleden in de tijd tussen kerst en oud en nieuw de kamer van Amanda op.

En het was goed. Het is fijn dat elk van onze kinderen hier een eigen plek heeft en Amanda heeft geen eigen kamer nodig. En wij hadden die kamer ook niet perse nodig al was het moeilijk om er afstand van te doen omdat het voelde alsof we opnieuw afstand van haar deden.

Afgelopen jaar bleek het nodig om de kamers nogmaals opnieuw in te delen en afgelopen dagen, opnieuw na kerst, hebben we dat gedaan. Nu is het weer bijna hetzelfde als voordat Amanda er was. En vandaag, nu het meeste werk gedaan is, besef ik pas hoeveel verdriet me het eigenlijk doet. Naast dat het ook gewoon oudejaarsdag is, we de kerstdagen hebben gehad en het gewoon zo incompleet blijft voelen om ‘gezellig met z’n allen’ kerst en oud en nieuw te vieren.

We zijn weer terug bij af. Ons huis is weer zo’n beetje zoals het was voordat Amanda kwam. Elk kind heeft een eigen kamer. Een plek die bij hem of haar past. Waar het zich kan ontwikkelen, terug kan trekken, op kan laden. En het is goed en het is niet goed. Het is goed omdat het hopelijk de kinderen ten goede komt. Maar ik voel me zo gebroken en verdrietig. Eigenlijk nam ik op de een of andere manier weer een beetje meer afscheid van dat kleine meisje dat we zo verschrikkelijk missen.

Als ik Amanda zo mis, dan ga ik meestal maar weer bidden. Omdat God weet hoe het met haar gaat. Omdat hij dichtbij haar is. En omdat ik niet meer voor haar kan bidden zoals ik dat voor mijn andere kinderen doe (ze heeft per slot van rekening ook dat niet meer nodig), zei ik: “dank U wel dat ze het fijner heeft dan waar ook ter wereld. Dat het zo ontzettend goed met haar gaat”. En ik bedenk me nu pas: “dat zij haar eigen kamer eigenlijk ook al heeft”.

Hmm. Misschien zijn we toch niet zo terug bij af als het voelt. We zijn natuurlijk sowieso verder gegaan en niet teruggegaan, maar dit gaat dieper al vind ik het moeilijk te accepteren: Misschien zijn we nu wel ieder precies waar we zijn moeten, op dit moment in time and space.

Het is oudejaarsdag vandaag. Vanavond gaan we weer danken voor het afgelopen jaar en bidden voor het nieuwe. Ieder van ons heeft dingen opgeschreven en vanavond gaan we het met elkaar doornemen, herinneringen ophalen en het nieuwe jaar en onszelf in Gods handen leggen. Daarna steken we weer vuurwerk af en wensen we elkaar gelukkig nieuwjaar. Ik vond het vorig jaar vreselijk moeilijk en vandaag zie ik er eigenlijk ook heel erg tegenop. Omdat zij er weer niet bij is en ik niet met een peuter op mijn arm voor het raam zal staan kijken dit jaar.

Vorig jaar bedacht ik me tijdens het kijken naar het vuurwerk: zou ze het kunnen zien? Is dat iets waar we allebei van zullen genieten? Ik weet het niet en ik verzucht: Heer, doet U Amanda alstublieft de groeten. Ik hou van haar en ik mis haar. En doordat zij hier geweest is, zijn we in elk geval niet terug bij af. Maar we gaan gewoon maar weer verder. Ieder op zijn eigen plek.

Vierentwintig uur

For English click here

Zondag is het Wereldlichtjesdag. Om zeven uur ’s avonds, als het elders al acht uur is, worden in het stadhuis van de stad waar ik woon (en overal in onze tijdzone) kaarsjes aangestoken. Als het hier acht uur is geweest, is het elders in de wereld zeven uur en zo, uur na uur, branden over de hele wereld vierentwintig uur lang kaarsjes ter nagedachtenis van onze overleden kinderen.

wereldlichtjesdag

Ik was er vorig jaar bij met mijn gezin. Het was een bijzonder uur. Het was bijzonder om samen te zijn met andere ouders van een overleden kind. Bijzonder om dit met zijn zessen te beleven. En bijzonder omdat tijdens het branden van de kaarsjes ook de namen werden genoemd van de kinderen die we herdenken.

Dit jaar gaan we weer. Het is heerlijk om de naam van Amanda te horen uitspreken. Zo apart om te merken hoeveel het ons doet. Ik denk dat het komt omdat als haar naam genoemd wordt, haar bestaan erkend wordt. En ze zit in mijn lijf, in mijn hoofd, maar over haar praten gaat niet vanzelf, want niemand ziet haar en ik kan niet vertellen dat ze begint te praten, dat ze net zulke krulletjes heeft als haar oudste zus en waar ik haar schoentjes heb gekocht.

En het is fijn om dit met zijn zessen te doen. Ik schreef al eens eerder: ‘samen rouwen is een crime’ en ik kan er nog steeds niets anders van maken. Wanneer ik niet hoef te huilen, wil iemand anders dat wel. Wanneer ik het even moeilijk heb, heeft iemand anders zoiets van: ‘nu even niet’. En dat is oké en logisch, maar maakt ‘samen rouwen’ iets wat volgens mij gewoon niet kan. Rouwen is iets heel individueels terwijl we toch behoefte hebben aan contact, ook in ons verdriet. Daarom is zo’n moment waarop we gezamenlijk naar het stadhuis gaan, haar naam opschrijven, haar naam horen noemen en al dan niet huilen, een belangrijk en kostbaar ritueel om uiting te geven aan het verdriet en de verbondenheid daarin, ook al zijn we in het beleven ervan zo verschillend.

Zondag is het Wereldlichtjesdag en dat komt best snel na Allerzielen. Nu het er bijna aankomt, vind ik het toch wel een mooi moment in het jaar. Ik heb van de week een paar keer Sinterklaascadeautjes in staan pakken en nu en dan vlamt de pijn ineens op. Ik heb geen cadeautjes voor haar. Alles wat ik kocht is voor kinderen van boven de negen jaar. En ik vraag me af hoe ze het heeft. Of God haar verwent. En besef dat de liefde die zij ontvangt, veel groter is dan cadeautjes ooit kunnen communiceren.

Na Wereldlichtjesdag volgt Kerst al vrij snel, waarbij alles draait om een baby. God die hulpeloos werd om ons zijn liefde te laten zien. De Almachtige die weerloos werd om ons dicht aan zijn hart te trekken. Ieder kind krijgt bij ons een boek op Eerste Kerstdag. Een traditie die we overnamen van de kerk waarin we opgroeiden. We gaan wandelen en steengrillen en op bezoek bij familie. En dat allemaal opnieuw zonder haar. Juist op die bijzondere dagen voelt het gemis extra zwaar.

Vervolgens is het Oud & Nieuw en staan we stil bij waar we voor kunnen danken en bidden. We schrijven alles in twee kolommen op een groot vel papier: ‘we danken voor 2018: …’ en: ‘we bidden voor 2019’. En dan is er opnieuw heel veel waar we dankbaar voor zijn, zijn er gebeden verhoord en kijken we uit naar wat er gaat komen. En er zijn onverhoorde gebeden, onvervulde verlangens. Het gemis van Amanda is niet minder geworden. Sommige problemen zijn vele malen hardnekkiger dan we hadden gehoopt. Ook dat leggen we neer bij degene die het overzicht heeft en weet wat Hij doet.

Ik vind het fijn dat het tussen al die feestdagen in, Wereldlichtjesdag is. Om een kaars te branden, Amanda’s naam te horen, samen al dan niet te huilen. Want ze blijft inderdaad voor altijd onzichtbaar maar voelbaar deel van ons. 24/7.

 

 

Tekst over Wereldlichtjesdag:

‘Elke 2e zondag in december wordt WereldLichtjesDag gehouden.
Op deze dag steken mensen om 19.00 uur over de hele wereld kaarsjes aan ter nagedachtenis aan overleden kinderen. Het maakt daarbij niet uit hoe oud het kind was of hoe lang het al geleden is. Je kind blijft immers je kind! Voor altijd in je hart en gedachten!
De wereld wordt zo even letterlijk wat lichter voor mensen die een kind verloren hebben en daarnaast is er het besef dat je niet alleen bent met je verdriet.’
http://www.wereldlichtjesdag.nl/

Golven

Ineens is het er weer. Grotesk, opdringerig, ongelofelijk pijnlijk. Een schreeuw die eruit wil maar blijft steken ergens halverwege. Een snik die gehoord moet worden, maar stokt, nog niet wil komen.

Zo heb ik een aantal dagen rondgelopen. Ik voelde druk achter mijn ogen en een chagrijn bezit van me nemen waar geen gebed tegen leek te helpen. Pas gisteren werd het allemaal ineens teveel en kon ik eindelijk huilen. En nu lukt het me bijna niet om te stoppen. Steeds opnieuw stromen de tranen over mijn wangen. En het besef dat ik haar mis, slaat als een golf over me heen.

Ik mis armpjes om mij heen. Gejengel achter me in de kerk vanmorgen riep het verlangen wakker naar mijn jengelende Amanda, die nooit jengelde, omdat ze niet zolang geleefd heeft dat ze jengelen kon. Ik mis haar gezichtje tegen mijn benen terwijl ik sta te praten met iemand. Dat ze naar me toe rent omdat ze blij is om me weer te zien. De doffe pijn van dit gemis is moeilijk te bevatten en op dit moment ook niet te onderdrukken.

Het is gewoon zo raar. Hoe kun je nou missen wat je niet hebt gehad? Hoe kan ik háár nu missen als anderhalfjarige, terwijl ik haar alleen maar heb gekend als heel klein baby’tje? En opnieuw klinken de woorden van Manlief in mijn hoofd: ‘ze groeit gewoon mee in ons gezin. Ze groeit gewoon mee op’. En dus mis ik nu een dreumes die leven in de brouwerij brengt en me voortdurend alert houdt. Ik hoor moeders blij zijn dat hun kinderen nu niet meer die constante aandacht nodig hebben omdat ze ouder geworden zijn, maar ik denk alleen maar: ik zou de wereld geven om dat nu te mogen hebben. Om haar in de gaten te moeten houden en geen seconde alleen te kunnen laten.

Ze lijkt te verdwijnen, vergeten te worden. Ze maakt geen zichtbaar deel uit van ons gezin. Vanbuiten lijkt ons gezin compleet en zijn we met zes personen hier. Voor veel mensen is dat al druk genoeg. Maar ik kom een kind tekort en de paniek die dat geeft, blijft opduiken. Ongewenst, maar toch daar. En ik wil het niet voelen. Ik wil niet toegeven dat het gemis blijft bestaan, dat niets lijkt te helpen om de pijn te verzachten. Het is mooi geweest. Het moet afgelopen zijn. Het is 28 oktober. Gisteren een jaar en zeven maanden geleden hebben we haar begraven. Ervaren hoe verschrikkelijk het is je kind achter te moeten laten.

We moesten toen direct weer door en ik wil ook nu gewoon door. En het lukt aardig. Ik zorg, ik schrijf, ik zing, ik speel, ik probeer er voor de mensen om mij heen te zijn. Maar ondertussen knaagt het overal onderdoor gewoon verder. En ik begrijp alweer een beetje beter waarom mensen zeggen dat ‘rouwen hard werken is’. Het is inderdaad een soort van werken, doorwerken, verwerken, op je laten inwerken, ermee verder werken. En er zit wel een progressie, een ontwikkeling in.

De afgelopen weken heb ik een aantal blogs van vorig jaar vertaald naar het Engels. Ik was daardoor bezig met veel van wat ik vorig jaar schreef. Ik zag hoe ik worstelde met God. Hoe ik zocht naar hoe je moet leven met zo’n diep gemis. Ik ontdekte dat er iets meer rust is gekomen in mijn gedachten, dat ik God weer meer vertrouw en dat ik inderdaad leer om het gemis te verweven met mijn bestaan, zoals ze dat zo mooi zeggen. Ik dacht eigenlijk zelfs dat het minder was geworden, leefbaarder. Totdat het nu dus ineens weer pontificaal voor mijn neus staat en ik nu toch weer wanhoop voel, intens verdriet, een zeer scherpe pijn. En hoe het precies komt, weet ik niet.

Ik zoek het niet op. Ik leef gewoon. Werk gewoon. Doe gewoon de dingen die ik zou moeten doen. Maar kennelijk is het zoals ze zeggen over rouw: verdriet komt in golven. En je moet ruimte houden in je leven om daarmee om te kunnen gaan. Zodat je kunt huilen als je moet huilen. Of zodat je kunt schrijven, zoals ik nu doe, want schrijven betekent woorden geven, erkennen en ruimte geven om het te laten bestaan. Ik zal haar blijven missen. Ze is mijn dochter en had hier gewoon moeten zijn. Het besef dat dat niet zo is, is als een golf die over me heen komt, me de adem beneemt en helemaal uit evenwicht slaat. Ik kan alleen maar zeggen, voor de zoveelste keer, dat God mijn anker is, en de rots waarop ik sta. Ik probeer te blijven staan en de golven dan maar tegen me aan te laten beuken. En ik wacht tot de zee weer wat rustiger wordt en de golven niet meer over me heen slaan – voorlopig.

De stilte doorbreken

‘Hoe oud zijn je kinderen?’ vroeg een vriendelijke vrouw die ik nog niet kende op een verjaardag. Ik slikte, dacht even na, en besloot de waarheid te vertellen: ‘15, 13, 11, 9 en de jongste is overleden.’ Het was even stil. Toen vroeg ze: ‘Joh, hoe oud zou die geweest zijn?’ Opgelucht en dankbaar antwoordde ik: ‘Anderhalf’. ‘Sjonge, wat erg’, zei ze. Ik zei: ‘ja he. Inderdaad.’ Het was weer even stil. We wisten allebei niet zo goed wat we nog meer moesten zeggen. En vervolgens praatten we verder over andere dingen.

Soms reageren mensen zo fijn op wat zo vreselijk is. Soms mag het verdriet en je kind er gewoon zijn. Kun je het er gewoon over hebben als je dat zou willen. Want het is nou eenmaal zo. Haar niet benoemen neemt de realiteit van haar afwezigheid niet weg. Het verdriet, haar plek in ons gezin, het feit dat we nu een anderhalf jaar oude peuter bij ons hadden gehad als ze wel was blijven leven, dat allemaal: het ís er gewoon. Als je dat niet erkent, of verzwijgt ‘omdat je niet weet wat je moet zeggen’ (dat weet ik ook niet!) dan negeer je een wezenlijk deel van wie wij nu zijn.

Benoemen
Ik heb gemerkt dat het een wereld van verschil maakt of Amanda genoemd wordt of niet. Als ze genoemd wordt, erkend wordt dat ook zij bij ons hoort, dan kunnen we behoorlijk ontspannen ergens zijn. Dan kunnen we ook lachen en genieten, want we kunnen eventueel ook huilen. Maar het tegenovergestelde is helaas ook het geval. Het is net alsof je, als je het gevoel hebt dat je haar niet mag noemen en niet eventueel mag huilen, dat je dan ook niet kunt lachen. Je moet dan eigenlijk alle gevoelens onderdrukken, want stel dat je toch moet huilen. En dit heeft tot gevolg dat ik er op sommige verjaardagen of bijeenkomsten wat apathisch bij zit, als ik het al kan opbrengen om te komen.

Hoeveel kinderen heb je?
Noem je je kindje of niet? Het is een vraag die regelmatig door rouwende moeders wordt gesteld. En we worden vindingrijk in hoe we recht doen aan het bestaan van onze overleden kindje(s) zonder het het achterste van onze tong te laten zien. Zo zeg ik bijvoorbeeld: ‘ik heb vier kinderen in huis rondlopen’. Voorlopig werkt dat, want mijn kinderen wonen allemaal nog thuis. Of: ‘ik heb hier vier kinderen’. Ik denk niet dat ik ooit kan zeggen: ik heb vier kinderen. Want dat is niet zo. Ik heb er vijf. Ik kan mijn nu-weer-jongste ook niet als mijn jongste zien en noem hem ook niet zo. Want dat is hij niet. Hij is misschien mijn jongste hier, maar mijn jongste is niet meer hier.

Verzwijgen
Soms zeggen mensen tegen ons dat we het maar beter niet moeten zeggen: dat we een kindje zijn verloren, want dat geeft anderen zo’n ongemakkelijk gevoel. Ik heb soms begrijpend ‘ja’ geknikt. Want ik, die altijd en overal teveel rekening probeer te houden met iedereen, dacht: ja, daar zit wat in. Totdat ik besefte dat het aan me bleef knagen. Want wacht eens even, het geeft de ánder een ongemakkelijk gevoel? Voor hoe lang eigenlijk? Een paar minuten? Misschien een dag? Is dat eigenlijk zo erg? Het ís toch ook gewoon hoogst ongemakkelijk? En jij hebt daar maar even last van. Wij moeten er elke dag mee leven.

Als ik haar verzwijg, dan doe ik meer dan de ander sparen. Ik negeer een deel van wie ik ben. Ik negeer dat ik moeder ben van vijf kinderen en dat ik zo vaak aan haar denk en haar zo mis. Het voelt als verraad tegenover haar, en ook tegenover mijn kinderen en mijn man. Want zij hebben nog een zusje. Hij heeft drie dochters. En we zijn zo trots op haar. Zo blij dat ze hier geweest is. Daarom zijn we ook zo verdrietig.

Stil verdriet
Bovendien sterven er heel veel baby’s rondom de geboorte en is er veel stil verdriet om stille baby’s. Als ik mijn kleine Amanda benoem, hoor ik vaak een verhaal terug over andere vrouwen die ook hun kindje verloren. Veel oudere vrouwen rouwen in stilte om hun dode kinderen. Maar door het te verzwijgen, werd hun verdriet niet minder. En ik merk dat door te vertellen over mijn kleine meisje, er ruimte komt voor anderen om te vertellen over hun kleine kinderen.

Daarom denk ik dat je beter iets dan niets kunt zeggen als je weet dat iemand nog een kindje heeft dat niet meer leeft. Misschien kun je zelfs wel helpen door mensen te laten praten, te laten huilen, zodat het meer en meer verweven wordt in hun leven en ze júist kunnen lachen, omdat ze ook mogen huilen.

Ga er niet vanuit dat wij er zelf over beginnen. Misschien hebben we wel het gevoel dat dat niet mag. Maar vraag naar onze kinderen. Noem hun namen. Erken hun bestaan. En laten we vooral samen huilen én lachen.

beeld van zeven

Oktober is pregnancy and infant loss awareness month las ik op Facebook. Tijdens het schrijven van deze blog, realiseerde ik me dat deze blog daar eigenlijk heel goed bij past. Wil je meer weten over hoe je er kunt zijn voor rouwende moeders in jouw omgeving, ook als ze al veel ouder zijn, of worstel je zelf met verlies van een kindje, kijk dan eens op: www.stillelevens.nl.
En natuurlijk mag je mij ook persoonlijk benaderen.

Welkom heten

‘Eerst moet je welkom heten. Want als je niet welkom heet, kun je geen afscheid nemen.’ Deze wijze en geruststellende woorden hoorden we vandaag anderhalf jaar geleden, toen we voor het eerst van ons leven een uitvaartverzorgster op bezoek kregen. Iemand die gespecialiseerd was in baby-uitvaarten nog wel.

Het was de Stille Tussendag. De dag na de Dag van Afschuw, toen we ontdekten dat onze dochter was overleden en we dat nieuws aan onze kinderen en ouders moesten gaan brengen terwijl we zelf niet eens konden bevatten wat dit betekende. En de dag voor de Dag van Verwondering, waarop we haar voor het eerst en bijna ook meteen voor het laatst ontmoetten en ontdekten dat je in zo verschrikkelijk veel verdriet ook zo dankbaar en blij kon zijn.

Op deze Stille Tussendag zaten we ons met een misselijk gevoel af te vragen hoe dat zou zijn, een dode baby baren. Gelukkig wist de uitvaartbegeleider waar ze het over had. Ze was zelf bevallen van een overleden kindje en, hoewel het ons allemaal nogal luguber voorkwam, wist ze ons in duidelijke taal voor te bereiden op wat er zou komen. Ze vertelde ons hoe het lichaampje eruit zou kunnen zien, waar we op moesten letten en hoe we voor haar lichaam konden zorgen.

Dat we voor haar lichaam konden zorgen. Wat een geruststelling was dat eigenlijk. Er viel toch nog iets te doen behalve bevallen. We konden haar welkom heten en we konden haar lichaam met zorg behandelen. Ik vond het nog steeds doodeng en ik voelde me zenuwachtig. Het idee dat ik een wandelend graf was, bleef maar in mijn gedachten komen. En dat ik geen leven ga schenken aan een kind, maar toch moet gaan bevallen. Maar ook daar kwam de uitvaartbegeleider over te spreken: ‘Je kunt haar niet meer het leven geven’, zei ze, ‘maar je kunt haar nog wel op de wereld zetten’.

Deze woorden gaven me perspectief. En moederkracht: Welkom heten. Lichaam verzorgen. Op de wereld zetten. Dat klinkt beter dan: Een dode baby baren. Voor niets pijn lijden. Een begrafenis voorbereiden. Wat zijn woorden toch krachtig. Wat zijn woorden belangrijk. Een goed gekozen woord kan zoveel goede dingen uitwerken, zoveel hoop geven en zelfs kracht als alles uitzichtloos lijkt. En slecht gekozen woorden (met goede bedoelingen, daar ben ik van overtuigd), die we helaas ook nogal eens hebben moeten incasseren, kunnen zoveel stuk maken, je op jezelf terugwerpen en laten verzinken in eenzaamheid.

De nachten tussen de Dag van Afschuw en de Dag van Verwondering heb ik nauwelijks geslapen. Hoe mooi en duidelijk de woorden ook waren, ik voelde me ondertussen wél een wandelend graf. Het kind in mij leefde niet meer. En ik moest nog steeds wél een dode baby baren. Het kindje moest geboren worden en ik zag er meer dan tegenop. Ik wilde er onderuit komen. En ik bad om kracht, om vrede, om alles om te kunnen doen wat ze zei: heet haar eerst maar welkom. Het afscheid nemen komt daarna al snel genoeg.

En we hebben het gedaan. Moeten doen. Morgen anderhalf jaar geleden werd ze geboren. Onze derde dochter, ons vijfde kind. Susan Amanda Marsman. Kleine gewenste lelie. Ze was al overleden. Maar toch heetten we haar welkom. Lieten we haar aan onze kinderen, ouders, zusjes en beste vriendinnen zien. Dit is ze. Onze dochter. We kregen kraambezoek, we waren vader en moeder geworden. Het was een week waarvan ik me bijna iedere minuut herinner. We beleefden, doorleefden, overdachten alles zo intens. En steeds zaten we weer bij haar wiegje, namen haar in onze handen, bekeken haar, verwelkomden haar en gaven haar in gebed terug aan God.

Het welkom heten helde al snel over naar afscheid nemen. Het was duidelijk dat we haar niet hier konden houden. En na vijf dagen kwam het definitieve moment, deden we de deksel van haar mandje dicht en gingen we het moeilijkste doen wat we ooit hebben gedaan.

Ik wou soms dat ik in een Oosters land was opgegroeid, waar je mag jammeren en jammeren tot het irritant wordt en dan nog steeds mag doorjammeren. Nu stonden we daar, (redelijk) nuchtere Hollanders met stille tranen over onze wangen en zachtjes snotterend, roerloos maar te staan. Bij het graf van ons kind. Toen welkom heten, definitief afscheid nemen geworden was. En wij voorgoed veranderd verder moesten leven nadat we haar, nu anderhalf jaar geleden, voor een kort moment welkom geheten hadden.

DSCF7750

Foto gemaakt door Ruth van den IJssel, van Ima Afscheidszorg